previous down next

stad en ommelanden - page 11

Groninger Borgen

De borg maakt deel uit van het Nationaal Rijtuigmuseum. Een deel van het gebouw is een restaurant met een antieke inrichting en een trouwzaal. Gesticht in 1525 en bewoond door de hoogste adel van Groningen. Vanaf 1693 mocht Georg Wilhelm von Inn-und Kniphausen zich graaf noemen. Afgebrand in 1850. Het huidige landhuis werd in opdracht van de familie Van Panhuys gebouwd in 1885. Van Panhuys was in zijn tijd de rijkste man van Groningen. Hij was o.a. burgemeester van de stad Groningen, commissaris der Koningin van Groningen en daarna kort van Overijssel, vice-president van de Raad van State van 1883 tot 1896, minister van Staat.
Op 6 november 1907 raakte de familie met haar rijtuig te water in het Hoendiep bij Hoogkerk. Van Panhuys en zijn echtgenote, hun zoon hun schoondochter verdronken allen. De familie ligt begraven op het kerkhof van Midwolde

Nienoord in
Leek





Verhildersum
in Leens

Oorspronkelijk in de 14de eeuw gebouwd als steenhuis. De borg werd tot 1953 bewoond, en kreeg daarna een museumbestemming. Nu is de inrichting van de borg 19e eeuws Het gebouw wordt omringd door de binnengracht. De borg wordt aan drie zijden door de tuin ingesloten. Ter weerszijden van het voorterrein bevinden zich het Koetshuis en het Schathuis. Rondom het borgterrein ligt weer een gracht met houtsingels.




Gebouwd in 1633, oorspronkelijk in de vorm van een steenhuis. Johan de Mepsche, lid van de Ommelander adel, erfde het gebouw in 1576 en heeft er ook gewoond. Zijn kleinzoon Johan de Mepsche is de bouwheer van het huidige huis. De gevelsteen in de stalmuur geeft als bouwjaar van de schuren 1702. De laatste eigenaren hebben het gebouw in 1991 nagelaten aan de Wierenga van Hamsterborg Stichting. De borg is in 1998 gerestaureerd en wordt gebruikt als vergadercentrum; ook kan men er logeren.

Piloersema bij Den Ham



Ennemaborg in Midwolda



Fraeylemaborg in Slochteren

De Fraeylemaborg ligt in een 31 hectare groot landgoed, in aanleg hoofdzakelijk daterend uit de 19e eeuw. Het parkbos is in het begin van de 19e eeuw gewijzigd in de romantische Engelse-landschapsstijl. Het tuincomplex wordt gedragen door een lange hoofdas die door de statige oprijlaan extra nadruk krijgt. Op het voorterrein bevindt zich het schathuis waarin een restaurant gevestigd is. Aan de andere kant staat het koetshuis met paardenstal en orangerie. Het beheer van de borg wordt gevoerd door de Stichting Fraeylemaborg. Aanvankelijk was de Fraeylemaborg een gewone boerderij. Voor het eerst wordt deze boerderij genoemd als Fraeylemaheerd in 1475. Men zegt dat de naam afkomstig is van een edelvrouwe die Elema of Ailma heette. Een adellijke vrouw werd wel aangeduid met het woordje "ver". Ver Ailma borg zou dan geleid hebben tot Fraeylemaborg.

de bewoners

1446-1538 De eerste bekende bewoner van de Fraeylemaheerd zou Remmert Fraeylema zijn geweest. De heerd werd toen de Lumme Fraeylemaheerd genoemd. Remmert was de zoon van Lumme. In 1504 word zijn kleinzoon Remmert hoofdeling van Slochteren genoemd. In 1538 word zijn zoon Oesebrandt eigenaar.

1538–1548 Oesebrandt Fraeylema. Zijn dochter trouwde met Seino Rengers, Waardoor de borg in handen kwam van de familie Rengers.

1548–1690 Seino’s achterkleinzoon Osebrandt Johan Rengers was begin zeventiende eeuw een machtige jonker in de Ommelanden. Beschuldigd van verraad tijdens het Beleg van Groningen kwam hij in de gevangenis. Een schoonzoon van Rengers, Hendrik Piccardt, wist via stadhouder Willem III een verzoening te bereiken. Rengers werd in ere herstel maar stierf spoedig daarna. Zijn zoon stierf in 1681 of 1682, waarna de borg overging op zijn broer Evert. Mr Henric Piccardt, die in 1680 was getrouwd met Osebrandts dochter Anna Elisabeth, werd voogd over Evert. Omdat Evert in 1690 zijn bezettingen wegens schulden moest verkopen kocht Piccardt de borg met annexen en landerijen voor 47000 Gulden. Hij had hiervoor geld geleend van de koning-stadhouder in de vorm van een hypotheek op de Fraeylemaborg.

1690 – 1781 Financiele moeilijkheden dwongen de familie Piccardt tot verkoop van de Fraeylemaborg in 1781.
Koper van de meer dan 30 jaar lang verwaarloosde borg was Mr Henrik de Sandra Veldtman. Het was de eerste keer in de geschiedenis van de borg, dat zij buiten de familie werd verkocht.

1781–1972 Na de dood van zijn eerste vrouw was De Sandra Veldtman in 1786 hertrouwd met weduwe Adelgonda Christine Wolthers. Samen kregen zijn in 1789 een dochter, Hermanna Louise Christina. Zij erfde in 1816 de Fraeylemaborg van haar vader. Na de dood van haar man in 1829 hertrouwde zij in 1831 met diens neef jonkheer Wiardus Hora Siccama. Na haar overlijden bleef haar man vruchtgebruiker van hat landgoed. Na zijn dood in 1867 vererfde de Fraeylemaborg krachtens het testament van Hermanna Louise Christina op de kleinzoon van Abraham Johan van der Hoop, mr Abraham Johan Thomassen à Thuessink van der Hoop. Hij voegde toen “Van Slochteren” aan zijn naam toe. Zijn oudste in 1875 geboren zoon Evert Jan erfde in 1882 de borg. In 1908 trouwde hij met Cateau Catharina Star Numan. Zij kregen twee kinderen, Jeanne Agatha en Geertruida Hermanna Louisa Christina. In 1952 overlijd Evert Jan. Na het overlijden van mevrouw Van der Hoop in 1965 hebben haar beide dochters nog enige jaren de borg bewoond. De financiele lasten werden echter te zwaar en in 1971 is de rijke inboedel geveild en op 9 januari 1972 werd de borg met het bos verkocht aan de Gerrit van Houten Stichting.
bron: Wikipedia





Coendersborg
in Nuis

De Coendersborg is in 1813 gebouwd op de plaats waar eerder de Fossemaborg stond. De Fossema's waren invloedrijk. In 1758 kwam de borg in handen van Oene van Teyens. Zijn erfgenamen, twee broers en een zuster, bouwden de Coendersborg. De borg ligt net als het steenhuis in Niebert, aan één van oudste voetpaden van Nederland het Malijkse Pad. De Coendersborg is eigendom van de stichting Het Groninger Landschap. In de schuur achter de borg is landbouwmuseum 't Rieuw (Gronings voor: gereedschap) gevestigd. De collectie gereedschappen, gebruiksvoorwerpen en documentatie geeft een beeld van de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf in de regio voor de opkomst van de mechanisatie.
bron: Wikipedia





Iwema steenhuis
in Niebert





Mensinghe
in Roden

De Havezate Mensinge wordt voor het eerst genoemd op een lijst uit het jaar 1381. Het is dan een leengoed van de Bisschop van Utrecht. De eerste (bekende) bewoner is Steven Zighers.

Via een nicht van Steven Zighers komt Mensinge in 1408 in het bezit van de familie Hidding. Verschillende leden van dit oude Drentse geslacht hebben op Mensinge gewoond, tot het landgoed in 1485 werd verkocht aan de Groninger jonker Onno van Ewsum. Deze adellijke familie heeft Mensinge in het bezit van 1485 tot 1720. Deze periode is belangrijk voor de geschiedenis van Mensinge. Rond 1500 wil de stad Groningen - rijk geworden door de bloeiende handel - zijn macht uitbreiden. De Ommelanden verzetten zich hiertegen. De machtige familie Van Ewsum is bij deze twisten betrokken. Bang dat hun bezittingen worden vernield door de troepen van Groningen brengen zij hun bezittingen over naar Mensinge. In de periode 1500 - 1514 wordt de havezate echter meerdere keren overvallen, geplunderd en vernield.

In 1540 laat de nieuwe eigenaar, Johan van Ewsum, het bestaande huis vrijwel afbreken om er een nieuw gebouw voor in de plaats te zetten. Alleen de binnenmuren van de huidige salon, de grote kamer en de bibliotheek blijven staan. De familie Van Ewsum blijft tot 1720 op Mensinge wonen. In dat jaar wordt Mensinge verkocht aan Justus de Coninck van Peize. In 1727 wordt het landgoed doorverkocht aan Ida Elisabeth Ripperda, die Mensinge laat verbouwen in de vorm die het nu nog heeft. In 1764 koopt Coenraad Wolter Ellents het landgoed Mensinge voor een prijs van 11.000 gulden. Drie jaar later trouwt hij met Gesina Oldenhuis. Het welgestelde echtpaar laat diverse veranderingen aanbrengen in Mensinge:

de eetkamer krijgt een nieuwe schouw, de grote zaal wordt gesplitst in wat nu de bibliotheek en de grote kamer is en de scheidingswand tussen deze vertrekken wordt voorzien van rococo-snijwerk. In de jaren erna wordt Mensinge het centrum van financiële transacties: aan- en verkoop van onroerend goed, kredietverleningen, investeringen. Na het overlijden van Coenraad Wolter Ellents in 1784 stelt Gesina haar neven Jan Wilmsonn Kymmell en Lucas Oldenhuis aan als haar zaakwaarnemers.

Nadat Gesina Oldenhuis overlijdt op 25 april 1818 wordt Jan Wilmsonn Kymmell de nieuwe eigenaar van Mensinge. De familie Kymmell zou Mensinge gedurende bijna 170 jaar onafgebroken bewonen: van 1818 tot 1985. De Kymmells nemen een belangrijke positie in: in 1825 kennen vier Drentse gemeenten een Kymmell als burgemeester. Jan Wilmsonn Kymmell - die gedurende langere tijd schulte van Roden en Roderwolde was - steekt veel energie in het opknappen van de omgeving van Mensinge. Hij ontgint grote oppervlakten woeste grond en plant bomen aan. Zo ontstond het Mensingebos in deze tijd. Na het overlijden van Jan Wilmsonn (1823) wordt Mensinge achtereenvolgens bewoond door Coenraad Wolter Ellents Kymmell (tot 1878), Jan Wilmsonn Kymmel en Pieter Dirk Kymmell (allen zonen van Jan Kymmell), Coenraad Wolter Jan Kymmell, Christina Sophia Kymmell (die ook wel De Joffer werd genoemd; zij bewoonde Mensinge van 1925 tot 1949) en Georg Rudolph Wolter Kymmell (tot zijn dood in 1956). Zijn kinderen besloten in 1985 het landgoed te verkopen aan de gemeente Roden. Dit betekent het einde van ruim 600 jaar particuliere bewoning.

bron: www.mensinge.nl

de Menkemaborg in Uithuizen





previous top next